Certificering

Op grond van de Erfgoedwet moet een bedrijf of organisatie zijn gecertificeerd om archeologische resten op te graven. Onder opgravingen wordt ook booronderzoek verstaan.

Organisaties die professioneel opgraven, kunnen bij verschillende certificerende instellingen een certificaat aanvragen. Deze instellingen toetsen op regelmatige basis de werkzaamheden en de kwaliteitsborging van de archeologische organisatie. Tot 1 juli 2017 mogen houders van een opgravingsvergunning nog zonder certificaat opgravingen verrichten en hebben zij de tijd om de gewenste certificaten te behalen.

De kwaliteitsnorm

De archeologische sector heeft zelf de meeste kennis over een goede manier van opgraven. Daarom is er door het Centraal College van Deskundigen Archeologie de kwaliteitsnorm opgesteld. Voor elke stap in de cyclus van de archeologische monumentenzorg bestaan beoordelingsrichtlijnen en protocollen. Als een organisatie kan aantonen dat de werkzaamheden conform de kwaliteitsnorm archeologie (KNA) worden uitgevoerd, komt die in aanmerking voor certificering. Bij onvoldoende naleving van de kwaliteitsnorm kan een certificaat worden ingetrokken.

Verschillende certificaten

Wie inventariserend veldonderzoek op het land of onder water wil uitvoeren, wil opgraven en werkzaamheden aan waterbodems archeologisch wil begeleiden heeft voor elk van deze activiteiten een certificaat nodig. Om zich te onderscheiden in de markt en de kwaliteit van de werkzaamheden te tonen kan een organisatie bovendien vrijwillig certificaten verkrijgen voor bureauonderzoek, het schrijven van programma’s van eisen, specialistisch onderzoek en depotbeheer.

Uitzonderingen

Een aantal partijen is onder bepaalde voorwaarden uitgezonderd van de certificeringsplicht. Het gaat om universiteiten, buitenlandse bedrijven, verenigingen van archeologische vrijwilligers en detectoramateurs.

Meer informatie