Monumentenvergunning

Voor het verstoren van een archeologisch rijksmonument is altijd een monumentenvergunning nodig. De monumentenvergunning is onderdeel van het overgangsrecht van de Erfgoedwet.

Deze vergunning wordt namens de minister verleend door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Vergunningplichtige ingrepen zijn bijvoorbeeld de (ver)bouw van schuren, woningen of bedrijfspanden, de aanleg van verhardingen, het graven van sleuven, (opnieuw) uitgraven of dempen van sloten en grachten, diepploegen, de aanleg van drainagebuizen, verlaging van het grondwaterpeil en omzetting van grasland in akkerland, (glas)tuinbouw, bollenteelt of fruitteelt. Ook voor herstel- en onderhoudswerkzaamheden om het monument in stand te houden, is soms een vergunning nodig.

Monumentenvergunning gaat voor omgevingsvergunning

Voordat een omgevingsvergunning van kracht wordt voor een activiteit die (ook) een beschermd archeologisch rijksmonument raakt, moet eerst een monumentenvergunning zijn verleend.

Vergunningvrij

Oppervlakkige bodemingrepen leiden niet bij alle monumenten tot een verstoring van het beschermde bodemarchief. Voor archeologische rijksmonumenten waar de archeologische resten diep in de bodem liggen, kan een richtlijn vrijstelling vergunningplicht van toepassing zijn, die aangeeft welke ingrepen zonder monumentenvergunning uitgevoerd kunnen worden. Lees hierover meer in de Beleidsnotitie vergunningaanvragen archeologische monumenten.

Aanvragen van een Monumentenvergunning

De vergunningaanvraag wordt ingediend bij de gemeente waar het monument zich bevindt en beoordeeld door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Hoe deze vergunningaanvraag wordt beoordeeld en hoe een besluit tot stand komt, is vastgelegd in het document Aanvraagprocedure vergunningaanvragen archeologische monumenten.

De vergunningprocedure bestaat grofweg uit de volgende stappen:

  • De eigenaar van het monument overlegt bij voorkeur met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed over de voorgenomen ingrepen voordat een vergunningaanvraag wordt ingediend. Dit vooroverleg is niet verplicht, maar leidt meestal tot een snellere vergunningverlening.
  • De eigenaar dient een vergunningaanvraag in bij de gemeente. De gemeente registreert de aanvraag en stuurt deze meteen door naar de Rijksdienst.
  • De Rijksdienst toetst de aanvraag op volledigheid. De aanvraag moet voldoen aan een aantal eisen (‘indieningsvereisten’). Als meer informatie nodig is, wordt de aanvrager verzocht binnen een bepaalde termijn aanvullende informatie te verstrekken.
  • De beoordeling van de volledige aanvraag mondt uit in een ontwerpbesluit (beschikking). De gemeente maakt dit openbaar en geeft iedereen zes weken de gelegenheid hun zienswijze in te dienen.
  • Daarna neemt de Rijksdienst een definitief besluit en stuurt dat naar de aanvrager, de gemeente en andere betrokken partijen. Belanghebbenden kunnen binnen zes weken beroep aantekenen tegen het definitieve besluit.

Maximale duur procedure

De Rijksdienst is wettelijk verplicht binnen zes maanden na het indienen van een aanvraag een definitief besluit te nemen over een vergunningaanvraag. Bij eenvoudige aanvragen of als er vooroverleg is gevoerd kan zo’n besluit meestal veel sneller worden genomen.