Opkomst van de archeologie

Archeologie is een dynamische wetenschap en heeft de afgelopen decennia grote ontwikkelingen doorgemaakt. In 1984 waren er in Nederland zo’n 200 archeologen actief. Nu zijn dat er meer dan 1000. Het merendeel van hen is in dienst van commerciële bedrijven.

Archeologie is een relatief jong vakgebied. Pas aan het begin van de negentiende eeuw werden de eerste archeologische opgravingen uitgevoerd. Een mijlpaal was de aanstelling van mr. Dr. C.J.C Reuvens in 1818 als buitengewoon hoogleraar archeologie aan de Rijksuniversiteit Leiden, de eerste hoogleraar archeologie ter wereld. Hij was ook de oprichter van het Rijksmuseum van Oudheden.

Ondergeschoven kindje

De archeologie van Nederland was in die tijd nog een ondergeschoven kindje. Er bestond nog geen archeologisch onderzoek op Nederlandse bodem. Het was ook niet mogelijk om Nederlandse archeologie te studeren; alleen de archeologie van Egypte, Griekenland en Rome kwamen op de universiteit aan bod. Aan het begin van de twintigste eeuw kwam hier verandering in. De directeur van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, Jan Hendrik Holwerda en Albert Egges van Giffen, directeur van het Biologisch-Archeologisch Instituut in Groningen, onderzochten talrijke vindplaatsen in heel Nederland. Dit leidde tot een grotere belangstelling voor Nederlandse archeologie.

Monumentenbeleid

In 1947 werd de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) opgericht. De ROB – die inmiddels is opgegaan in de Rijksdienst van het Cultureel Erfgoed – was verantwoordelijk voor het verrichten van onderzoek en de bescherming en het onderhoud van archeologische monumenten. In 1940 was al een voorschot genomen op de Monumentenwet door middel van een ‘pre’-monumentenwet. Hierin werd vastgesteld dat opgravingen alleen met toestemming konden plaatsvinden. Na een lange voorbereiding trad in 1961 de Monumentenwet in werking. Veel gemeenten gingen aan de slag met de samenstelling van de eerste gemeentelijke monumentenlijsten. In 1988 werd de Monumentenwet vervangen en sinds juli 2016 is de Monumentenwet opgegaan in de Erfgoedwet.

Verdrag van Malta

Ondanks de nieuwe Monumentenwet 1988 kwamen door allerlei economische activiteiten zoals landbouw, stadsuitbreiding en infrastructuur archeologische vindplaatsen in toenemende mate onder druk te staan. Deze bedreiging van de archeologie baarde de Europese regeringen zorgen. Dit leidde tot het Europees cultureel verdrag dat in 1992 door Nederland op het eiland Malta werd ondertekend. In het verdrag van Malta kwamen de Europese landen overeen dat vindplaatsen in de ruimtelijke ordening beter beschermd moeten worden, dat wil zeggen; ze moeten zo veel mogelijk intact worden gelaten ten behoeve van later onderzoek. Dit wordt ‘behoud in situ’ genoemd.

Commercialisering

In Nederland is behoud in situ vaak niet mogelijk. Het is immers een dichtbevolkt land waarvan de schaarse ruimte nodig is om te wonen, werken en recreëren. Er wordt in Nederland dus regelmatig opgegraven. Na het verdrag van Malta zijn de kosten hiervan voor de ‘verstoorder’. Dit kan de overheid zijn of het bedrijf dat het initiatief neemt tot de verstoring. Dit heeft geleid tot de opkomst van commerciële archeologische bedrijven die in opdracht van de overheid, een bedrijf of particulier archeologisch onderzoek verrichten. Door de economische crisis en de stagnatie in de bouw zijn deze commerciële onderzoeksactiviteiten de laatste jaren weer afgenomen.