Tijdlijn

Tot de komst van de eerste geschreven bronnen is archeologie onze enige bron van historische kennis. Maar ook na de introductie van het schrift levert archeologie een onmisbare bijdrage aan het onderzoek naar ons verleden.

De oudste voorwerpen die in Nederland zijn gevonden, werden zo’n 300.000 jaar geleden achtergelaten. Tot de komst van de Romeinen, rond het begin van onze jaartelling, vormen archeologische resten de enige bronnen van onze geschiedenis. Daarna verschijnen er geschreven bronnen. De geschreven bronnen over de Romeinse tijd en de middeleeuwen zijn nog heel summier; vandaar dat archeologie een onmisbare bijdrage levert aan de kennis over deze perioden. Vanaf de late middeleeuwen is er een grotere hoeveelheid geschreven berichten en afbeeldingen bewaard gebleven. Daarmee is archeologie echter niet overbodig geworden. Tot en met de Tweede Wereldoorlog aan toe onderbouwt archeologie geschreven bronnen, onderschrijft ze, nuanceert en draagt nieuwe gegevens aan. Hieronder zijn in vogelvlucht de 10 verschillende historische tijdsperioden op een rij gezet.

De Nederlandse archeologie in vier perioden

Naast de indeling van de Nederlandse archeologie in deze 10 perioden, van de vroegste prehistorie tot en met de recente tijd, is sinds kort ook een vereenvoudigde indeling beschikbaar in vier perioden. Deze vereenvoudiging is specifiek gemaakt om gebruikt te worden in het Programma Kenniskaart.

  1. Jagers verzamelaars
  2. Vroege landbouwers
  3. Late landbouwers
  4. Staatssamenlevingen

Meer achtergrond over deze nieuwe indeling in vier perioden, leest u in het document Archeologisch vierperioden systeem.

Oude steentijd

2,4 miljoen jaar geleden is de mens in Afrika ontstaan. Rond 800.000 jaar geleden trokken mensen Europa binnen. Deze vroegste periode van de prehistorie wordt de steentijd genoemd en duidt de tijd aan waarin mensen gebruiksvoorwerpen maakten van steen. Het paleolithicum of de oude steentijd is de oudste en verreweg de langste periode in de geschiedenis van de mens. De oude steentijd begint zo’n 2,5 miljoen jaar geleden en eindigt met het einde van de laatste ijstijd, circa 11.500 jaar geleden. In Nederland zijn de eerste sporen van menselijk leven zo’n 300.000 jaar oud. Deze mensen waren jagers-verzamelaars. Ze leidden een rondtrekkend bestaan, op zoek naar voedsel.

Een van de oudste vuistbijlen van Nederland uit 120.000 - 50.000 v.Chr

Vuistbijlen waren essentieel gereedschap in de oude steentijd. Dit exemplaar is een van de oudste van Nederland en stamt uit 120.000 - 50.000 voor Chr. De bijl is gevonden in een Lössgroeve ten westen van Maastricht.


Midden steentijd

De cultuurperiode die begint na de laatste ijstijd wordt midden steentijd of mesolithicum genoemd. Net als in de oude steentijd, waren tijdens het mesolithicum jagen, vissen en verzamelen de belangrijkste middelen van bestaan. Het Nederlandse landschap is voor een groot deel gevormd tijdens de voorlaatste en de laatste ijstijd. Tijdens de voorlaatste ijstijd raakte de noordelijk helft van ons land bedekt met een bijna 300 meter dikke landijsgletsjer. Deze voorlaatste ijstijd begon circa 240.000 jaar geleden en kwam ongeveer 126.000 jaar geleden ten einde. Tijdens de laatste ijstijd (116.000-11.600 jaar geleden) waren er perioden dat er een poolwoestijn was en de wind vrij spel had waarbij dikke pakketten dekzand werden afgezet. Deze koude perioden werden gevolgd door warmere perioden waarin meer begroeiing aanwezig was.

Nieuwe steentijd

Het neolithicum of nieuwe steentijd markeert een transitieperiode. Rond 5300 voor Chr. vestigden zich boerenkolonisten uit Midden-Europa op de vruchtbare lössgronden in Zuid-Limburg. Hierna vond een geleidelijke maar onomkeerbare overgang plaats van een samenleving van jager-verzamelaars met een rondtrekkend bestaan, naar een samenleving waarin mensen zelf voedsel produceerden en op vaste plaatsen woonden.

Bronstijd

De bronstijd duurt in Nederland van ongeveer 2000 tot 800 voor Chr. Aan het begin van deze periode ontwikkelde zich een echte boerensamenleving met uitgestrekte akkers en solide boerderijen. De doden werden begraven om grote grafheuvels. Het is de periode waarin brons geleidelijk vuursteen verving als belangrijkste materiaal voor gereedschap en wapens. Brons komt tot stand door metaal uit erts te winnen, het te smelten en te gieten. Hierdoor was het mogelijk om gedetailleerde sieraden en sculpturen te maken.

Depot van Wageningen

‘Het depot van Wageningen’ werd in 1844 bij het planten van bomen op de Wageningse Berg gevonden Het is de vroegst gedateerde bronsvondst van Nederland en dateert omstreeks 2000 voor Chr


IJzertijd

In Nederland begint de ijzertijd rond 800 voor Chr. Deze periode markeert een grote sociale en maatschappelijke omwenteling. Behalve dat ijzer brons als nieuw basismateriaal verving, werden de sociale verschillen in de samenleving steeds groter. Er ontstond een nieuwe toplaag, een kleine ‘vorstelijke’ elite. Rond 600 voor Chr. gingen boerenbedrijven zich specialiseren; in de ene regio was veeteelt belangrijker, in de andere akkerbouw. Dit leidde tot meer uitwisseling en handel. Huisvlijt en ambachten werden in deze tijd steeds belangrijker. Hierdoor konden de eerste ambachtslieden hun entree maken.

Romeinse tijd

De komst van de Romeinen aan het einde van de eerste eeuw voor Chr. betekende een drastische verandering in het prehistorische Nederland. De bevolking ten zuiden van de Rijn kreeg te maken met de politiek van een wereldmacht. Vanaf dit punt wordt het verhaal van de geschiedenis dat door archeologie verteld wordt, aangevuld met – weliswaar schaarse – schriftelijke bronnen. De Romeinen stichtten kleine steden bij Nijmegen en Voorburg. Voor het eerst kwam er geld in omloop, leerden sommige mensen lezen en schrijven, was er sprake van loondienst en slavernij en werden er materialen en voedsel geproduceerd voor de markt.

Romeinse peelhelm uit de 4e eeuwDeze vergulde zilveren kap van een Romeinse cavaleriehelm is waarschijnlijk bedoeld als offergeschenk. De helm stamt uit de vierde eeuw. Hij werd in 1910 gevonden bij het afsteken van veen bij Deurne.

Vroege middeleeuwen

Rond 400 komt er een einde aan het Romeinse bestuur van Nederland ten zuiden van de grote rivieren. De periode die hierop volgt wordt de vroege middeleeuwen genoemd. Het begin van deze tijd wordt ook wel aangeduid als de volksverhuizingstijd. Groepen mensen trokken weg en vestigden zich in andere streken. Over de vijfde eeuw is betrekkelijk weinig bekend, maar uit de zesde eeuw zijn er aanwijzingen dat nieuwe groepen mensen zich vestigden in onze streken. In de zevende en achtste eeuw nam de bevolking toe en bloeide de handel op. Nederland werd in fasen opgenomen in het Frankische Rijk, waarmee het Christendom – de religie van de Franken – definitief in het maatschappelijke leven was opgenomen. In deze periode verrezen de eerste kerken en kloosters.

Volle en late middeleeuwen

De volle en late middeleeuwen beginnen omstreeks het jaar 900 en eindigen rond 1500. In deze periode vond een toenemende verstedelijking plaats. In de elfde eeuw was  het Frankische rijk uiteengevallen in verschillende kleinere rijken. Nederland was een afgelegen deel van het nieuwe Duitse rijk geworden. In die tijd ontwikkelden zich binnen het Duitse rijk politieke eenheden zoals bisdommen, graafschappen en hertogdommen, waaruit de latere gewesten en – weer later – de provincies zouden ontstaan. Bisschoppen, graven, hertogen en Leden van de elite lieten  kastelen bouwen als basis van hun  macht en als statussymbool. In de vijftiende eeuw kwamen bijna alle delen van ons land weer onder één bestuur: dat van de hertogen van Bourgondië, later opgevolgd door het Habsburgse rijk.

Fragmenten van gebrandschilderde vensters van de Sint Janskerk in ZutphenFragmenten van gebrandschilderde vensters van de Sint Janskerk in Zutphen

De beeldenstorm van 1566 maakte korte metten met kerkelijke kunst. De fragmenten van de gebrandschilderde vensters van de Sint Janskerk in Zutphen werden door de kerkmeester onder een schuur verstopt. Bron: gemeente Zutphen, team archeologie.

Nieuwe tijd

De periode die op de late middeleeuwen volgt wordt de nieuwe tijd genoemd. De nieuwe tijd kent een aantal mijlpalen zoals de reformatie, de Tachtigjarige Oorlog, de vorming van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en de periode van welvaart in de gouden eeuw. De Franse tijd maakte in de achttiende eeuw een einde aan de Republiek; in 1815 werd het Koninkrijk der Nederlanden gesticht. Deze periode wordt vooral bestudeerd door historici en in mindere mate door archeologen. Over de nieuwe tijd bestaan immers veel geschreven bronnen en afbeeldingen. Toch speelt archeologie ook voor deze periode wel degelijk een rol. In de oudere steden liggen in de bodem unieke gegevens over techniek en ambacht. Er worden door stadsarcheologen dan ook regelmatig sporen en voorwerpen uit deze periode gevonden.

Nieuwste tijd

Archeologen onderzochten lange tijd vooral  de periode voor 1750. De belangstelling voor latere perioden was vaak beperkt, omdat er veel andere bronnen zijn die hierover informatie geven. Toch groeit de aandacht voor archeologie van de meer recentere tijd. Bodemvondsten kunnen wel degelijk waardevolle aanvullende informatie verschaffen. Zo is bijvoorbeeld de archeologische belangstelling voor de Tweede Wereldoorlog sterk in opkomst.