De bevoegde overheid – doorgaans de gemeente – neemt naar aanleiding van een selectieadvies een besluit over hoe er met een vindplaats moet worden omgegaan. Er zijn vervolgens drie mogelijkheden: beschermen, opgraven of vrijgeven.

Het selectieproces kan binnen een gemeente op twee schaalniveaus plaatsvinden: voor het gehele gemeentelijke grondgebied of voor afzonderlijke bodemingrepen in een bepaald plangebied. In de eerste situatie neemt de gemeente een besluit op basis van beleidsuitgangspunten en een archeologische inventarisatie. In dit besluit is gedefinieerd in welke deelgebieden rekening moet worden gehouden met archeologische waarden. Op deze plekken geldt dan een onderzoeksplicht voor bodemverstorende ruimtelijke plannen. Ook kan de gemeente een besluit nemen over een gebied waarvoor al specifiek onderzoek is verricht. Dan bepaalt de gemeente aan de hand van de onderzoeksresultaten welke vindplaatsen kunnen worden behouden en welke eventueel opgegraven moeten worden.

Keuzes maken

De waardering van een plangebied levert een onderzoeksrapportage met een archeologisch advies op. Dit rapport bevat de onderzoeksresultaten en dient als selectieadvies aan het college van burgemeester en wethouders. Selecteren betekent dat de bevoegde overheid een besluit neemt over de archeologische waarden in een plangebied. Het besluit resulteert in het wel of juist niet verlenen van een omgevingsvergunning. In veel gevallen neemt de overheid het advies uit de onderzoeksrapportage over, maar dit is niet altijd het geval. Behalve de archeologische waarden, spelen verschillende factoren van maatschappelijke, politiek-beleidsmatige en financiële aard een rol. Het besluit van het college van burgemeester en wethouders resulteert in beschermen (behoud in situ), opgraven (behoud ex situ) of het vrijgeven van het gebied voor realisatie van de geplande bodemingrepen.

Instrumenten bij het selecteren

Archeologiebeleid

De gemeente is verplicht om in het bestemmingsplan rekening te houden met (mogelijk) aanwezige archeologische waarden. De gemeenteraad kan de ambitie ten aanzien van archeologie – welke archeologische waarden waardevol zijn voor een gemeente en hoe daarmee moet worden omgegaan – vastleggen in een (sectoraal) archeologiebeleid, dat vaak ook een beleidsadvieskaart bevat. Bij het formuleren van een archeologiebeleid spelen veel verschillende componenten een rol; niet alleen de inventarisatie van de archeologisch waardevolle gebieden is aan de orde, maar ook de vergunningprocedures, het beleid van de provincie en de bekostiging.

structuurvisie

De gemeente, de provincie en de rijksoverheid zijn verplicht om voor een goede ruimtelijke ordening een (integrale) structuurvisie vast te stellen. De structuurvisie beschrijft de visie van de desbetreffende overheid op toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen.

Wat levert het op

Bestemmingsplan

De structuurvisie en de archeologische beleidskaart worden vertaald in een bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is het toetsingskader en vormt de juridische basis waardoor bodemverstoorders verplicht kunnen worden tot archeologisch onderzoek of het treffen van technische maatregelen. Bodemingrepen zijn dan (omgevings)vergunningplichtig.

Omgevingsvergunning met voorschriften

Wanneer in een gebied met archeologische onderzoeksverplichting, een bodemverstorende ruimtelijke planontwikkeling plaatsvindt, kan de gemeente besluiten om aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden, zoals de verplichting tot opgraven of aangepast bouwen. In het uiterste geval kan de gemeente de vergunning ook weigeren.